Moméntjes, Malbec en Mindfucks – What to expect when you’re NOT expecting?

“Okee, goed om te weten.”, denk ik als ik mijn laptop dichtklap zonder verdere actie te ondernemen. 
De reis die ik wil boeken is goedkoper dan ik dacht. Een meevallertje. Een mazzeltje. En waarschijnlijk ook vrij momenteel. In de zin van dat die prijzen natuurlijk niet eeuwig durend laag blijven.

Waarom ik me nu dan tóch liever bezighoud met belangrijker zaken zoals de pepermolen vullen met nieuwe peperkorrels en alle pennen uit de besteklade onderwerpen aan de grote inkttest?
Nou, dat komt omdat A.: peper en pennen tot de fundamentele noodzakelijkheden des levens behoren – algemeen bekend. B.: Ik het toch stiekem wel spannend vind om alleen naar de andere kant van de wereld te vliegen (en het fenomeen uitstellen daar prima bij past). En C, de echte reden: ik er een móméééntje van wil maken!

Euhh.. huh? God, ben ik zo’n vrouw geworden? Nee, maar… Ja dus.

Ken je dat? Dat iets zo perfect moet zijn dat het nooit meer de kans heeft perfect te worden? Dat in je hoofd álles moet kloppen? Zo van: als dan het huis helemaal opgeruimd is, de kaarsjes aan staan, er een stoofpotje op het fornuis staat te pruttelen en ik lékker met een glas Malbec voor de haard zit met m’n lief aan m’n zij… Dat ik dán op de knop druk om mijn lang gekoesterde droomvakantie naar zon, zee en palmbomen te boeken. En dat we dan proosten op nieuwe avonturen die gaan komen en we de hele avond bij het knisperen van het hout fantaseren over exotisch eten, tropische vissen en inheemse culturen. Dat werk.

Nou, vaak gaat het niet zo. In mijn geval besloot ik bijvoorbeeld na een week of twee, bij het uitblijven van een dergelijk tafereel, in blinde paniek midden in de nacht toch nog eens vliegtickets te bekijken om er luid vloekend en ongenadig chagrijnig achter te komen dat de vlucht die ik wilde bijna 200 euro in prijs was gestegen, waarna ik boos, balend, koud én alleen toch maar direct de transactie rond maakte, om vervolgens onrustig in slaap te vallen. En dan waarschijnlijk ook nog eens heel naar te dromen over vogelspinnen en jungleziektes. Niet heel ideaal dus.

Voor m’n lief vaak het aangewezen moment om het weer eens over verwachtingen te hebben. En dan vooral dat als ik die los zou kunnen laten, het leven daar echt een stuk mooier van zou worden. Bloedirritant, want het laatste wat je wilt is dat je man, of wie dan ook, op zo’n ongelukkig moment onuitstaanbaar wijsneuzig gaat zitten zijn en je onderwerpt aan een een levenslesje geluk. Maar, misschien, heeft ‘ie toch een punt, de goedzak.
Want de theorie luidt dat als je met minder, of het liefst geen, verwachtingen door het leven kunt stappen de kans dat je teleurgesteld raakt aanzienlijk kleiner wordt. En de kans dat je wordt verrast een stuk groter. Een klassieke win-win. Maakt sense so far.

Na het vliegticketdebacle hoog tijd dus voor een proef op de som. Een weekendje weg. Zónder te weten waar naartoe. Als vrouw is dat schoentechnisch gezien alleen al (back me up hier dames!) een vrijwel onmogelijke opgave, want voor het strand is weer heel ander schoeisel nodig dan voor de stad, en voor Parijs hele andere mode dan voor Breda. Natuurlijk. Maar goed, je hebt een afspraak met jezelf en dus ga je er zo relaxt mogelijk en volledig open in. Geen verwachtingen. Niet bij de stad, niet bij het hotel, het restaurant, het eten. En ook niet bij de activiteiten die hij geregeld heeft. Dus of je straks met een in champagne doordrenkte roze limousine wordt opgehaald voor een romantisch weekend Grote Stad waar je vanavond in een mooie jurk met een bloem in je haar eindigt in een luxe jazzy cocktaillounge met uitzicht op duizend lichtjes terwijl je man je op het podium verrast met een speciaal voor jou ingestudeerd liefdesliedje, of – kom op nou Sanne, géén verwachtingen! – niet; je weet het niet, je vindt er niets van en je verwacht niets. Nul. Nada. Loslaten die handel! En: je laten verrassen.

En dus rijd je achter hem aan als hij naar het station fietst (we gaan dus niet met de limo…). En volg je hem als hij je pesterig loopt te mindfucken door van perron 14, via perron 2, naar perron 6a te lopen, waar hij je vraagt vooral je paspoort bij de hand te houden. Je had nu kunnen denken dat het buitenland lonkt, maar omdat je dat niet doet geniet je ervan als je even later in een Amsterdamse tram staat. En laat je je verwonderen door die heerlijke stad die je verwacht had al zo goed te kennen en door alle nieuwe plekken die hier nog te vinden zijn. Je hebt geen beeld bij wat er komen gaat, en dus trap je keer op keer in zijn grappen. Waar hij dan weer genoegzaam van geniet, en waar jullie samen heel hard om moeten lachen. So far, so good dus.

Totdat je jezelf op enig moment in het theater vindt, waar je op het puntje van je stoel zwijmelend naar een op het podium huppende Danny de Munck zit te kijken.
En dat jij daarvan geniet is logisch. Maar dat de anti-musical-man himself óók naast je zit te smullen overtreft werkelijk álles!
En zo komt het dus dat, voordat je het weet, wanneer de dag zich langzaam maar zeker vordert, je je plotsklaps beseft dat alles leuk is. Dat alles mag. Dat niets moet. En het is allemaal goed!

En dáár gaat het dus om. Dat het goed is. Zónder verwachtingen. Had ik niet verwacht. En ook niet dat ik hier zou moeten toegeven dat hij dus eigenlijk al die tijd al gelijk had. En dat ik dit dus vaker ga proberen. Dat had hij dan weer niet verwacht. Maar ach… zo houden we elkaar tenminste een beetje scherp.

Vanaf 3 april ga ik mezelf als solo-backpackert een maandje door Indonesië manoeuvreren. Benieuwd naar de ongetwijfeld hilarische avonturen en/of wil je meer van mij lezen? Laat dan een berichtje achter!


IMG_5035

De oh’s en ah’s van een rozijn. Over mindful leven en geluk.

Toen ik zo een beetje in december het jaar 2016 aan het overpeinzen was dacht ik: ja, okee, ik heb een topjaar gehad.
Niet non-stop ufkors, want er was ook een flink aantal ouderwetse klotedagen. Maar over het algemeen heb ik dus toch wel in behoorlijke mate de bucketlist af kunnen vinken. Zo trotseerde ik de 800km asfalt voor een sensationeel liveportie Billy J. Kreeg ik de sleutels van m’n nieuwe stulp. Heb ik eindelijk weer eens leuk werk gevonden en gekregen. En ik heb genoten van ontelbare gezellige dagen met vrienden, vriendinnen en m’n lief.

Maar toch, – want zo schijnt dat dan toch te werken zo richting oud & nieuw – tóch dacht ik: ik ga het in 2017 helemaal anders doen. Zo van: ik ga minder drinken, ik ga weer lekker sporten en gezond eten. Ik ga ervoor zorgen dat álles áltijd lékker opgeruimd is. Dus de afwas laten staan is vanaf nu verleden tijd. En ik ga elke vrijdag de vloer dweilen. Bovendien koop ik direct zo’n kek notitieboekje en ga ik alléén nog maar gestructureerd werken. Ik kom trouwens ook nooit meer te laat op afspraken. En ook – bijna net zo belangrijk – ga ik ervoor zorgen dat mijn nagels, wenkbrauwen en kapsel te allen tijde in shape zijn en dat m’n benen, oksels en bikinilijn het hele jaar door zo glad zijn als een dolfijnenhuidje.

Dus… Als voortaan de wekker gaat: hup! Dan ben ik wakker, maak ik mijn bed op, trippel ik naar mijn volontkalkte badkamer waar ik niet langer dan 5 minuten douche, waarna ik fluitend in de kleding schiet die ik de avond ervoor al klaarlegde om vervolgens te genieten van een bakje magere kwark met op zonne-energie gebrande zaden en noten en handgeplukte biologische pruimen. Dan begin ik lekker vroeg aan mijn werkdag. Gezellig in de trein. Mét m’n notitieboekje.
Zo moest het zijn.

En toch dacht ik daar op 9 januari, toen ik mokkend de wekker een klap gaf en mezelf gapend tussen kledingstukken en schoenen door naar mijn badkamer manoeuvreerde, heel anders over. Je bent tenslotte uiteindelijk gewoon wie je bent. En da’s prima.
Máár, wat ik dus wel nog even op de valreep had gedaan, net vóórdat die ene column in het NRC viral ging over hoe kut mindfulness is: ik had me opgegeven voor een cursus. Mindfulness dus. Want dat is anno 2017 gewoon de oplossing voor iedere chaotische vrouw in nood.

En zo kwam het zover dat ik halverwege januari gewapend met een yogamatje en een extra paar warme sokken, in sjokkingsbroek en met een rood aangelopen gezicht, haastend en vloekend mijn dienst-weigerende fietsslot probeerde open te krijgen, om mij totáál niet mindful naar een welzijnshuis somewhere in downtown Haarlem te begeven. Daar zou ik de vleesgeworden clichés aanschouwen in de vorm van 10 vrouwen (en trouwens ook 2 mannen) die, zittend op de grond met een kopje kruidenthee allemaal meer rust, overzicht en ruimte in hun leven wilden. Van een overspannen dertiger met een tweeling die maar niet doorsliep en gewoon een beetje rust wilde, tot een menopauzale vijftiger die met rode konen toegaf alles gewoon iets positiever te willen inzien. Persoonlijk wilde ik simpelweg iets minder chaos. In mijn leven en vooral ook in mijn hoofd. Want daar zat het ‘m vooral in.

Toen we met aandacht, gesloten ogen en diepe ademhalingsteugen onder begeleiding van een diepe, meditatieve mannenstem een onbekend voorwerp (goed, het was een rozijn) moesten aanraken, ruiken en proeven wist ik ineens niet meer zo heel zeker of ik hier wel ging vinden wat ik zocht. Tussen het mindful kauwen door sloeg de twijfel toe; gingen we het nu écht hebben over de structuur, het bouquet en de smaaksensatie van een fucking rozijn? Ja dus.
Na het klinken van de klankschaal was iedereen diep onder de indruk. Nooit geweten dat een rozijn zó kon smaken. Oh’s en ah’s volgden. Dat op zich was al een aparte ervaring.

Ook de meditaties die volgden waren eigenaardig. Als type vrouw die geen uitknop op gedachten kent en waarbij piekeren, plannen en mijmeren elkaar in hoog tempo opvolgen is je hoofd leegmaken iets als verrast worden door je partner met aardbeien, champagne, kaarslicht en een eindeloze massage; je weet dat je het heerlijk zult vinden, maar ook dat het er nooit van zal komen (terwijl dat dus best een redelijke wens is).

En toch gebeurde er iets met me in die les en in de weken die volgden. Ik moet toegeven dat het met z’n allen matje-aan-matje liggend onder een dekentje tijdens een 40 minuten durende (!) meditatie ietwat sektarische associaties oplevert, maar dus óók een ongekende rust. Nee, maar echt!
En achter iets frustrerends als een puzzeltje met 9 kleine rotpuntjes (moet je bij zijn…), zitten heuse levenslessen verscholen waar je daadwerkelijk iets aan hebt!
Geloof het of niet, maar in die paar weken mindfulness heb ik meer over mezelf geleerd dan in heel 2016. Bijvoorbeeld over hoe ik met problemen omga. Wat mijn persoonlijke patronen zijn. Hoe streng ik voor mezelf kan zijn. Hoe ik rust kan vinden in emoties die me lijken te overdonderen. En ook: hoe mooi het leven is. Dat is dan toch maar mooi meegenomen, dacht ik zo.

Ook hier geldt: kortzichtigheid leidt tot onwetendheid. En de ervaring leert. Punt.
Dus hup! Naar de supermarkt met z’n allen; inslaan die rozijnen!
Je weet tenslotte nooit wat het je brengt…

IMG_5002

IJsprinses in ballenland. Over cocoonen buiten de comfortzone.

Hup nou Bloemendaal, naar veuren! Harder die ballen! Pressen jongens, verdorie!”
Diverse verwassen oranjetinten kleuren het veld.
Bloemendaal trilt op haar grondvesten. Onder de spanning van het spel, de strijdbaarheid van haar spelers en onder diens gemiddelde
 lichaamsgewicht.

Ik sta langs de zijlijn van veld 2, met op links de achter grote zonnebrillen verscholen andere vrouwen-van, en op rechts alle met hockeyballen in de weer zijnde kinderen-van. Het zorgt zichtbaar voor enige verwarring over tot welke van deze twee categorieën ik nu precies behoor. Reden genoeg voor een binnenpretje. Die toch al wordt aangewakkerd door het schouwspel vlak voor me. 



Want daar trekken knappe hockeymannen bezweet ten strijde. Hartstochtelijk en onbevreesd, op hoog niveau. Althans, dat doen de kritische noten die worden verzorgd door het toeschouwende, veelal door ouderdom geblesseerde, bankzittende deel van het veteranenteam vermoeden.

Afgaande op hun oordeel is de winst van deze wedstrijd van ongekend levensbelang en is het net of ze bij verlies vreselijke dingen zullen moeten ondergaan. Zoals het met hockeyballen gestenigd worden door dat donkerblauwe zooitje ongeregeld van Pinoké bijvoorbeeld. Of zoals het de hele volgende wedstrijd pijnlijk gekromd moeten spelen met veel te kleine roze Princess Mini sticks. Of, het allerergste: géén bier, géén bitterballen en géén sigaretten tot aan de winterstop. Met recht dus: een kwestie van leven of dood.

Deze op de bank gezetelde mannen naast het veld zijn net zo rood aangelopen en bezweet als de mannen op het veld, met slechts één fundamenteel verschil: zij weten het beter. 
Ze smoren dan ook bijna in hun bitjes als zij zuchtend en krakend op gezette toon de teamspirit voeden met “Verdomme!”, “Dit is toch geen spel?”, “Wáárom lóópt ‘ie niet?!”, “Wat een kútzooi!” – hier en daar afgewisseld met een bescheiden, haast geluidloze “Hup!”, voor de vorm.

Ik snap er werkelijk niets van. Van het hele spel niet. Deze als schaatsmeisje zijnde nieuwe wereld is mij volledig onbekend en de terminologie volslagen vreemd. Tot vandaag was flatsen iets als de uitwerpselen van een gevleugeld medeschepsel, pushen iets dat je vooral niet teveel moest doen en shoot was tot dusver de kindvriendelijke versie van kut.
Ook de tendens van de pot is maar moeizaam te peilen; is alles tijdens de wedstrijd nog overheersend ruk, heeft ieder spel na afloop hoe dan ook iets briljants en slaan de heren elkaar hartelijk lovend op de schouders, vergezeld van rijkgevulde pitchers en een schaal welverdiende bitterballen.

Minstens zo verwarrend is het feit dat natuurwetten hier met gemak worden doorbroken. Leeftijd speelt hier bijvoorbeeld totaal geen rol. Hoewel het vaak wel de parten spelende factor van het geheel is en het niet zelden voorkomt dat een speler het veld moet ruimen omwille van zweepslag, spit of spierscheuring, is er geen ruimte voor geriatrisch gelul en schitteren brandende schaafwonden onder witte broekjes veroorzaakt door meedogenloze slidings, en wordt over een gebroken duim, vinger of hand niet gesproken; dat hoort nou eenmaal bij het spelletje.

Een voor mij nogal wonderbaarlijk, maar heerlijk tafereel. Ik vind het geweldig. Een lust voor het oog. Niet alleen omdat ik gek ben op het jongensachtige fanatisme, ik enorm geniet van de gebroederlijke teamspirit en ik ontzettend veel van bier en bitterballen houd, maar ook omdat deze nieuwe wereld me zo’n andere kijk op het leven biedt. Een kijk voorbij de vooroordelen van kakse koudheid en geaffecteerd gebrul. En waar achter elke rollende R een schat aan humor schuilgaat.

Want ook dat is nieuw me. En ik besef me: we vínden daar toch vaak iets van, van zo’n kaks kluitje van de club. Ik tenminste wel. Niets is tenslotte veiliger dan te blijven cocoonen in je eigen comfortzone en vooral om te gaan met zelfsoortigen – in mijn geval het ijsglijdende type. Zo van: ijsmaker blijf bij je leest. Ofzoiets.

Maar nu weet ik: wat zonde! Want kortzichtigheid leidt tot onwetendheid. En daar heb je dus uiteindelijk alleen jezelf mee.

Voor geen goud had ik het willen missen: ik geniet van de zondagmiddagen langs het veld, van het fanatieke spel, de hartstocht om de winst en, vooruit, van het ijskoude bier. Ik geniet van het goede gezelschap, het harde gelach en de goede gesprekken.
Kortom: ik geniet van dingen die in de diepe krochten van mijn comfortzone niet bestonden. Omdat ze daarbuiten zijn.

Wie gedacht had dat een stel belegen Bloemendaalse hockeyheren mijn leven zou verrijken? Niemand! Nee, maar, echt. En dat is precies wat het zo leuk maakt.

Enfin. Van hockey snap ik nog steeds geen reet, maar van het leven weer een stukkie meer. En dat is toch wat men noemt: pure winst!

 

img_4231

img_4419

Foutje? Bedankt! Over de kunst van het falen.

toilets

Muizentandjes. Zo noemt ‘ie ze altijd, onze tandarts. As we speak klem ik ze, samen met mijn muizenkiesjes en muizenkaakjes, op elkaar om zo al mijn kracht en aandacht te vergaren. Mijn voetjes bungelen in de lucht. Mijn hoofd wordt rood, en mijn knokkels wit als mijn vingertjes de toiletbril omklemmen.

Op gepaste afstand staat mijn jongste grote broer. Hij kijkt er trots en zelfgenoegzaam bij, met zijn knuistjes triomfantelijk in zijn zij gedrukt. Je ziet hem denken: ‘Mijn kleine zusje op de grote pot. Ha! Dat heb ik mijn ouders nog niet zien presteren.’ Dat hij het nu voor elkaar heeft gekregen is een mijlpaal, zover is zeker.

Goed. Het komt er nu op aan. Ik knijp mijn ogen dicht, ik houd mijn adem in, ik pers nog één keer… Floeps. Het is gebeurd.

Aan de andere kant van het gangpad verschijnt mijn oudste grote broer. Met ferme passen en een bezorgde frons stapt ‘ie op ons af. Als ik met een hupsje van het toilet af kom en mijn broek op hijs (hee, ze hebben hier geeneens toiletpapier!) werpt hij een blik de diepte in. Je ziet hem denken: ‘Fuck.’ Behoedzaam klapt hij het deksel dicht.
Streng en verantwoordelijk als oudste grote broers kunnen zijn pakt ‘ie ons beide bij de hand en begint ons gedecideerd naar onze ouders te manoeuvreren, die even verderop in de showroom inspiratie staan op te doen voor de nieuwe badkamer.

Het zal niet de laatste keer zijn dat ik met alle goede bedoelingen een pijnlijke fout bega. Het leven dat voor me ligt zal alleen al de komende drie decennia genoeg uitdaging en verwarring voor me in petto hebben, waardoor ik regelmatig de mist in zal gaan. Eigenwijs als ik ben zal ik hoogstwaarschijnlijk zelf wel bepalen wat goed voor me is, terwijl de combinatie van nieuwe inzichten en een flinke portie fouten me steeds een beetje wijzer maakt. Al lerende zal ook ik een weg vinden, die me brengt naar waar ik anno 2016 sta. En dat is dan ook direct de zogenaamde upside: het geeft niet. No worries! Fouten maken mag. Fouten maken moet. Fouten maken is goed. Van je fouten kun je leren. De enige fout die je kunt maken is bang te zijn het fout te doen. Ik hartje fouten!

Die wijsheid heb ik niet van mezelf. Dat heb ik geleerd. In therapie. Ja. Nee, echt. Daar hoef je tegenwoordig dus niet eens meer zo heel waanzinnig hysterisch gek voor te zijn; je kunt gewoon een afspraak maken als je daar zin in hebt. En dat had ik. En dan niet op een rood fluwelen sofa met het puntje van een zijden zakdoek in je linker ooghoek graven naar het antwoord op de vraag
wat-ut met je doet. Maar gewoon zo van: vertel eens. En zo kwam het dus dat ik er achter kwam dat ik de kunst van het falen was verleerd. En dat, lieve mensen, is pas écht foute boel.

Want als je geen fouten durft te maken, word je bang dat je ze maakt. Heeft deep down waarschijnlijk iets te maken met de angst om afgewezen te worden, en dus om “er niet bij te horen”. Voor je het weet sta je eindeloos te wikken en te wegen, te wenden en te keren, maar een stap zetten ho maar. Tot je daadwerkelijk helemaal stil staat en je plotsklaps pretty much bang bent om te leven. Ja, echt. Het gebeurt. En da’s vrij zonde.

Dus. Hoe fout het ook klinkt, maak er nog maar een paar. Want fouten zijn het bewijs dat je probeert. En dat je leeft. Ze maken je tot wie je bent en geven je de kans een nóg betere en nóg leukere versie van jezelf te creëren. Op die manier halen jouw stomme fouten stiekem het beste in je naar boven. En heeft het woord ‘fout’ dus eigenlijk een heel fout imago.

Moraal van het verhaal? Fouten zijn er om van te leren. Dus je kunt er maar beter om lachen. En da’s nog gezond ook!

 

FullSizeRender